VERHANDELING 129. HET LATERE VOLWASSEN LEVEN VAN JEZUS
129:0.1JEZUS had zich nu geheel en definitief vrijgemaakt van het bestier van de huiselijke aangelegenheden van het gezin in Nazaret en van de rechtstreekse supervisie over de individuele leden daarvan. Hij bleef financieel bijdragen aan het gezin tot aan de gebeurtenis van zijn doop, en bleef een levendige persoonlijke belangstelling koesteren voor het geestelijk welzijn van elk van zijn broers en zusters. En altijd stond hij klaar om al hetgeen hem menselijk mogelijk was bij te dragen aan het welzijn en geluk van zijn moeder die weduwe was.
129:0.2De Zoon des Mensen had nu alle voorbereidingen getroffen om zich voorgoed los te maken van zijn ouderlijk huis in Nazaret, en dit viel hem niet gemakkelijk. Jezus hield van nature van zijn mensen; hij had zijn familie lief, en deze natuurlijke liefde was enorm versterkt door zijn buitengewone toewijding aan hen. Hoe vollediger wij ons geven aan onze naasten, des te meer wij hen gaan liefhebben; en omdat Jezus zich zo ten volle aan zijn familie had gewijd, hield hij van hen met een grote, innige liefde.
129:0.3Het hele gezin was langzamerhand gaan beseffen dat Jezus zich voorbereidde om hen te verlaten. De droefheid van de voorvoelde scheiding werd slechts getemperd door zijn methode om hen stapsgewijs voor te bereiden op de aankondiging van zijn voorgenomen vertrek. Al meer dan vier jaar lang hadden zij gemerkt dat hij plannen maakte voor deze uiteindelijke scheiding.
1. HET ZEVENENTWINTIGSTE JAAR (A.D. 21)
129:1.1In januari van dit jaar, a.d. 21, op een regenachtige zondagmorgen, nam Jezus zonder veel plichtplegingen afscheid van zijn familie; hij zei alleen dat hij naar Tiberias ging en daarna naar andere stadjes rond het meer van Galilea. Zo verliet hij hen, en hij zou nooit meer een vast lid van dat huisgezin zijn.
129:1.2Hij bracht één week door in Tiberias, de nieuwe stad die spoedig de plaats van Sepforis zou innemen als hoofdstad van Galilea; en daar hij niets aantrof dat hem bijzonder interesseerde, ging hij verder via Magdala en Betsaïda naar Kafarnaüm, waar hij zijn tocht onderbrak om Zebedeüs, de vriend van zijn vader, te bezoeken. De zonen van Zebedeüs waren vissers; Zebedeüs zelf bouwde boten. Jezus van Nazaret was een deskundige ontwerper en bouwer; hij was een meester in het werken met hout en Zebedeüs was reeds geruime tijd bekend met de vakkundigheid van de handwerksman uit Nazaret. Zebedeüs dacht er al lang over om betere boten te gaan bouwen; hij legde Jezus nu zijn plannen voor en nodigde de timmerman die bij hem op bezoek was uit om dit samen met hem aan te pakken, en Jezus stemde meteen toe.
129:1.3Jezus werkte slechts iets langer dan een jaar bij Zebedeüs, maar in die tijd ontwierp hij een nieuw type boot en voerde geheel nieuwe methoden in voor het bouwen van boten. Met een betere techniek en sterk verbeterde methoden om planken te stomen, begonnen Jezus en Zebedeüs boten te bouwen van een veel beter type, vaartuigen die veel veiliger waren om het meer te bezeilen dan de oudere typen. Verscheidene jaren lang had Zebedeüs meer werk met het opleveren van dit nieuwe type boten dan zijn kleine zaak aan kon; binnen vijf jaar waren praktisch alle boten op het meer afkomstig uit de werkplaats van Zebedeüs te Kafarnaüm. Jezus werd zeer bekend onder de vissers in Galilea als de ontwerper van de nieuwe boten.
129:1.4Zebedeüs was tamelijk welgesteld; zijn scheepswerven lagen aan het meer ten zuiden van Kafarnaüm, en zijn huis lag iets verderop aan de kust, dichtbij het visserijcentrum Betsaïda. Jezus bleef meer dan een jaar in Kafarnaüm en woonde in die tijd bij Zebedeüs in huis. Hij had lang alleen gewerkt in de wereld, dat wil zeggen zonder vader, en hij genoot erg van deze tijd waarin hij met een vader-partner samenwerkte.
129:1.5De vrouw van Zebedeüs, Salomé, was familie van Annas die vroeger hogepriester was geweest te Jeruzalem en nog steeds de invloedrijkste man bij de groep der Sadduceeën, daar het nog maar acht jaar geleden was dat hij was afgetreden. Salomé werd een grote bewonderaarster van Jezus. Zij hield van hem zoals zij van haar eigen zonen, Jakobus, Johannes en David hield, terwijl haar vier dochters Jezus als hun oudere broer beschouwden. Jezus ging dikwijls met Jakobus, Johannes en David vissen, en zij merkten dat hij niet alleen een deskundig botenbouwer, maar ook een ervaren visser was.
129:1.6Dit hele jaar zond Jezus iedere maand geld aan Jakobus. Hij ging in oktober naar Nazaret terug om de bruiloft van Marta bij te wonen, en het duurde meer dan twee jaar voor hij opnieuw in Nazaret kwam, kort voor de dubbele bruiloft van Simon en Judas.
129:1.7Dit gehele jaar bouwde Jezus boten en bleef hij het leven van mensen op aarde observeren. D ikwijls bezocht hij de pleisterplaats van de karavanen, want Kafarnaüm lag aan de vaste route die de karavanen volgden van Damascus naar het zuiden. Kafarnaüm was een sterke militaire post van de Romeinen, en de garnizoenscommandant was een niet-Joodse gelovi- ge in Jahweh, ‘een godvruchtig man,’ zoals de Joden zulke proselieten plachten te noe- men. Deze officier behoorde tot een welgestelde Romeinse familie, en hij had op zich genomen in Kafarnaüm een mooie synagoge te bouwen, die aan de Joden was geschonken kort voordat Jezus bij Zebedeüs kwam wonen. Jezus leidde dit jaar meer dan de helft van de tijd de diensten in deze nieuwe synagoge, en sommigen van de karavaanreizigers en-drijvers die toevallig deze diensten bijwoonden, herinnerden zich hem als de timmerman uit Nazaret.
129:1.8Toen hij belasting moest gaan betalen, schreef Jezus zich in als ‘geschoold handwerksman te Kafarnaüm.’ Van die dag af tot aan het eind van zijn leven op aarde, stond hij bekend als inwoner van Kafarnaüm. Hij maakte nooit aanspraak op een andere wettige woonplaats, ofschoon hij, om verschillende redenen, toeliet dat anderen Damascus, Betanië, Nazaret, en zelfs Alexandrië als zijn woonplaats opgaven.
129:1.9In de synagoge van Kafarnaüm trof hij vele nieuwe boeken aan in de kisten van de bibliotheek en hij bracht minstens vijf avonden per week door met diepgaande studie. Eén avond wijdde hij aan de omgang met oudere mensen en één avond bracht hij door met de jongeren. Er ging iets innemends en inspirerends van de persoonlijkheid van Jezus uit, en hierdoor werden jonge mensen steeds door hem aangetrokken. Hij zorgde er altijd voor dat zij zich bij hem op hun gemak voelden. Het grote geheim waardoor hij zo goed met hen kon opschieten, bestond wellicht in het tweeledige feit dat hij altijd belangstelde in wat zij deden, terwijl hij zelden advies gaf, tenzij zij er om vroegen.
129:1.10Het gezin van Zebedeüs aanbad Jezus bijna, en zij ontbraken nooit bij de gesprekken van vragen en antwoorden die hij iedere avond na de maaltijd hield voordat hij naar de synagoge ging om te studeren. De jeugdige buren kwamen ook dikwijls binnen om deze bijeenkomsten na de maaltijd bij te wonen. Aan deze kleine gezelschappen gaf Jezus gevorderd onderricht op velerlei gebied, waarbij hij nooit verder ging dan men kon begrijpen. Hij sprak geheel vrijuit met hen wanneer hij zijn ideeën en idealen aangaande politiek, sociologie, wetenschap, en filosofie liet horen, maar hij veroorloofde zich nooit om met gezaghebbende finaliteit te spreken, behalve wanneer hij sprak over religie – de betrekking van de mens tot God.
129:1.11Eens per week hield Jezus een bijeenkomst met de gehele huishouding en alle helpers in de werkplaatsen en op de wal, want Zebedeüs had veel mensen in dienst. Onder deze werklieden werd Jezus nu voor het eerst ‘de Meester’ genoemd. Zij hielden allemaal van hem. Hij genoot van zijn werk bij Zebedeüs in Kafarnaüm, maar hij miste de kinderen die buiten speelden naast de timmermanswerkplaats in Nazaret.
129:1.12Van de zonen van Zebedeüs was Jakobus het meest geïnteresseerd in Jezus als leraar, als filosoof. Johannes hield het meest van zijn religieuze onderricht en opvattingen. David had respect voor hem als handwerksman, maar stelde weinig belang in zijn religieuze denkbeelden en filosofische onderricht.
129:1.13Judas kwam dikwijls over op de Sabbat om Jezus in de synagoge te horen spreken en bleef daarna nog een tijdje om met hem te praten. Hoe meer Judas van zijn oudste broer zag, des te sterker raakte hij ervan overtuigd dat Jezus waarlijk een groot man was.
129:1.14Dit jaar maakte Jezus grote vorderingen als opklimmend mens in het leren beheersen van zijn menselijke denken en bereikte hij nieuwe, hoge niveaus van bewust contact met zijn inwonende Gedachtenrichter.
129:1.15Dit was het laatste jaar dat hij ergens vast woonde en werkte. Jezus zou nooit meer een heel jaar doorbrengen op één plaats of met één onderneming. De dagen van zijn pelgrimstochten op aarde kwamen nu snel naderbij. Perioden van intense activiteit lagen niet ver in de toekomst, maar tussen het eenvoudige, doch intens actieve leven dat achter hem lag en het nog intenser en nog inspannender leven van zijn openbare optreden, kwamen nu nog enkele jaren waarin hij lange reizen zou maken en persoonlijk actief zou zijn op zeer verschillende gebieden. Zijn vorming als mens van deze wereld moest voltooid zijn alvorens hij zijn loopbaan als leraar en prediker kon aanvangen als de vervolmaakte God-mens van de goddelijke, post-menselijke fasen van zijn zelfschenking op Urantia.
2. HET ACHTENTWINTIGSTE JAAR (A.D. 22)
129:2.1In maart, a.d. 22 , nam Jezus afscheid van Zebedeüs en Kafarnaüm. Hij vroeg hem een klein bedrag aan geld om zijn onkosten van een reis naar Jeruzalem te bestrijden. Zolang hij bij Zebedeüs werkte, had hij slechts kleine bedragen opgenomen die hij iedere maand naar de familie in Nazaret placht te sturen. De ene maand kwam Jozef naar Kafarnaüm om het geld te halen, de volgende maand kwam Judas over naar Kafarnaüm om het geld van Jezus in ontvangst te nemen en het naar Nazaret te brengen. Het vissersbedrijf van Judas lag slechts enkele kilometers ten zuiden van Kafarnaüm.
129:2.2Toen Jezus afscheid nam van het gezin van Zebedeüs, sprak hij af dat hij tot het Paasfeest in Jeruzalem zou blijven, en zij beloofden allen bij die gelegenheid aanwezig te zullen zijn. Zij spraken zelfs af om de Paasmaaltijd samen te vieren. Zij waren allen bedroefd toen Jezus hen verliet, vooral de dochters van Zebedeüs.
129:2.3Voordat Jezus Kafarnaüm verliet, had hij een lang gesprek met zijn nieuwe vriend en vertrouwde kameraad, Johannes Zebedeüs. Hij vertelde Johannes dat hij erover dacht grote reizen te gaan maken totdat ‘mijn uur gekomen zal zijn’ en hij vroeg Johannes om voor hem op te treden en iedere maand wat geld naar zijn familie in Nazaret te sturen totdat het geld dat hij nog tegoed had, op zou zijn. En Johannes deed hem de volgende belofte: ‘Meester, doe wat ge van plan zijt, doe uw werk in de wereld; ik zal in deze en in iedere andere zaak voor u optreden, en ik zal over uw familie waken zoals ik voor mijn eigen moeder zou zorgen en me om mijn eigen broers en zusters zou bekommeren. Ik zal uw geld dat bij mijn vader berust, besteden zoals ge gezegd hebt en naarmate het nodig is, en wanneer uw geld op is en ingeval ik niet meer van u zou ontvangen, zal ik mijn eigen verdiensten met uw moeder delen als dit nodig mocht zijn. Ga in vrede. Ik zal u in al deze zaken vervangen.’
129:2.4Toen Jezus naar Jeruzalem was vertrokken, ging Johannes daarom bij zijn vader Zebedeüs te rade inzake het geld dat Jezus tegoed had, en het verbaasde hem dat het zo’n groot bedrag was. Aangezien Jezus de zaak zo geheel en al aan hen had overgelaten, werden zij het erover eens dat het het beste zou zijn dit geld in onroerend goed te beleggen en het inkomen daaruit te gebruiken om de familie te Nazaret bij te staan; en omdat Zebedeüs een klein huis in Kafarnaüm wist dat met een hypotheek was bezwaard en te koop stond, zei hij Johannes dit huis met het geld van Jezus te kopen en dit eigendom voor zijn vriend in bewaring te nemen. Johannes deed zoals zijn vader hem had aangeraden. Twee jaar lang werd de huur van dit huis aangewend voor de hypotheek en hieraan werd kort daarna nog een bepaald groot bedrag toegevoegd, dat Jezus naar Johannes had gestuurd om naar behoefte door de familie gebruikt te worden. Deze bedragen samen dekten ongeveer de hypotheekschuld; Zebedeüs paste het verschil bij, zodat Johannes het restant van de hypotheek op de vervaldatum kon aflossen, waardoor dit huis met twee kamers onbezwaard eigendom werd. Zo werd Jezus eigenaar van een huis in Kafarnaüm, maar ze hadden het hem niet verteld.
129:2.5Toen de familie in Nazaret hoorde dat Jezus Kafarnaüm had verlaten, geloofden ze, omdat ze niets wisten van deze financiële regeling met Johannes, dat nu de tijd voor hen gekomen was het verder zonder enige hulp van Jezus te klaren. Jakobus herinnerde zich zijn overeenkomst met Jezus en nam, geholpen door zijn broers, direct de volle verantwoordelijkheid voor de zorg voor het gezin op zich.
129:2.6Maar laat ons nu teruggaan om Jezus in Jeruzalem gade te slaan. Bijna twee maanden lang bracht hij het grootste deel van zijn tijd door met het luisteren naar de discussies in de tempel en zo nu en dan bezocht hij de verschillende scholen van de rabbijnen. De meeste Sabbatdagen bracht hij in Betanië door.
129:2.7Jezus had een brief van Salomé, de vrouw van Zebedeüs, meegebracht naar Jeruzalem, waarin hij bij de voormalige hogepriester Annas werd geïntroduceerd als ‘iemand die voor mij als een eigen zoon is.’ Annas bracht veel tijd met hem door en begeleidde hem persoonlijk bij zijn bezoeken aan de vele academies van de godsdienstleraren in Jeruzalem. Hoewel Jezus deze scholen grondig onderzocht en hun methoden van onderwijs zorgvuldig observeerde, stelde hij in het openbaar nooit ook maar één enkele vraag. Ofschoon Annas Jezus als een groot man beschouwde, wist hij niet goed hoe hij Jezus moest adviseren. Hij zag in dat het dwaas zou zijn hem voor te stellen zich als student aan een van de scholen in Jeruzalem te laten inschrijven, en aan de andere kant wist hij zeer goed dat Jezus nimmer de rang van officieel leraar verleend zou worden indien hij niet in een van deze scholen opgeleid zou zijn.
129:2.8Weldra brak de tijd van het Paasfeest aan en onder de drommen mensen uit alle windstreken kwamen ook Zebedeüs en zijn hele familie uit Kafarnaüm aan in Jeruzalem. Ze logeerden allen in het ruime huis van Annas, waar zij het Paasfeest als één gelukkige familie vierden.
129:2.9Voor het einde van deze Paasweek ontmoette Jezus, ogenschijnlijk toevallig, een rijke reiziger en diens zoon, een jongeman van ongeveer zeventien jaar. Deze reizigers waren afkomstig uit India en onderweg om Rome en verschillende andere plaatsen aan de Middellandse Zee te bezoeken; zij hadden het zo geregeld dat zij tijdens het Paasfeest in Jeruzalem zouden aankomen, in de hoop dat zij iemand zouden kunnen vinden die zij in dienst konden nemen als tolk voor hen beiden en als huisleraar voor de zoon. De vader drong er sterk op aan dat Jezus erin zou toestemmen hen op hun reis te vergezellen. Jezus vertelde hem over zijn familieomstandigheden en zei dat het eigenlijk niet fair zou zijn om bijna twee jaar lang weg te gaan, terwijl zijn familieleden in die tijd wellicht in nood konden komen. Hierop stelde deze reiziger uit het Oosten Jezus voor hem één jaar loon vooruit te betalen, zodat hij deze geldsom aan zijn vrienden in bewaring kon geven om zijn familie voor gebrek te vrijwaren. Toen stemde Jezus ermee in de reis mee te maken.
129:2.10Jezus droeg dit grote bedrag over aan Johannes, de zoon van Zebedeüs. En ge weet dat Johannes dit geld aanwendde voor het aflossen van de hypotheek op het bezit in Kafarnaüm. Jezus nam Zebedeüs geheel in vertrouwen inzake deze reis rond de Middellandse Zee, maar drukte hem op het hart er met niemand over te spreken, zelfs niet met zijn eigen vlees en bloed; en Zebedeüs onthulde nooit dat hij wist waar Jezus was tijdens deze lange periode van bijna twee jaar. Voordat Jezus terugkeerde van deze tocht, had de familie in Nazaret hem juist vrijwel opgegeven als gestorven. Alleen de geruststellende woorden van Zebedeüs die bij verschillende gelegenheden met zijn zoon Johannes meekwam naar Nazaret, hielden de hoop nog levend in Maria’s hart.
129:2.11Gedurende deze tijd maakte het gezin in Nazaret het heel goed; Judas had zijn aandeel aanzienlijk verhoogd en bleef doorgaan met deze extra bijdrage tot hij getrouwd was. Ook al hadden zij weinig bijstand nodig, toch was het de gewoonte van Johannes Zebedeüs om iedere maand cadeautjes voor Maria en Ruth mee te brengen, zoals Jezus hem had opgedragen.
3. HET NEGENENTWINTIGSTE JAAR (A.D. 23)
129:3.1Jezus bracht zijn hele negenentwintigste levensjaar door met de afronding van de reis door de Mediterrane wereld. De belangrijkste gebeurtenissen op deze reis, voorzover wij toestemming hebben deze ervaringen te openbaren, zullen worden besproken in de verslagen die onmiddellijk op deze verhandeling volgen.
129:3.2Gedurende deze gehele reis door de Romeinse wereld stond Jezus om vele redenen bekend als de schrijver uit Damascus. In Korinte en andere plaatsen waar ze op de terugweg verbleven, werd hij echter de huisleraar genoemd.
129:3.3Dit was een gedenkwaardige periode in het leven van Jezus. Tijdens deze reis legde hij vele contacten met zijn medemensen, maar deze ervaring is een fase in zijn leven die hij nimmer aan enig lid van zijn familie of aan één van zijn apostelen onthulde. Jezus leefde zijn leven in het vlees en verliet deze wereld zonder dat iemand (behalve Zebedeüs van Betsaïda) wist dat hij deze uitgebreide tocht had gemaakt. Sommigen van zijn vrienden dachten dat hij was teruggegaan naar Damascus; anderen dachten dat hij naar India was gegaan. Zijn eigen familie geloofde over het algemeen dat hij in Alexandrië was, daar zij wisten dat hij eens was uitgenodigd om daar assistent-chazan te worden.
129:3.4Toen Jezus terugkwam in Palestina, liet hij na zijn familie, die meende dat hij van Jeruzalem naar Alexandrië was gegaan, tot andere gedachten te brengen: hij liet hen in de waan dat hij de hele tijd dat hij niet in Palestina was, had doorgebracht in die stad van wetenschap en cultuur. Alleen Zebedeüs, de scheepsbouwer van Betsaïda, kende de feitelijke toedracht, en Zebedeüs vertelde deze aan niemand.
129:3.5Bij al uw pogingen om de betekenis van het leven van Jezus op Urantia te ontcijferen, dient ge de beweegredenen van de zelfschenking van Michael indachtig te zijn. Indien ge de betekenis van veel van zijn ogenschijnlijk vreemde handelwijzen wilt begrijpen, dient ge het doel van zijn verblijf op uw wereld in het oog te houden. Hij zorgde er consequent voor niet een al te aanlokkelijke en aandachttrekkende persoonlijke loopbaan op te bouwen. Hij wilde zijn medemensen niet op een ongewone of overweldigende manier aanspreken. Hij stelde zich in dienst van het werk om de Vader in de hemel aan zijn medestervelingen te openbaren, en terzelfdertijd wijdde hij zich aan de verheven taak om zijn leven als sterveling op aarde te leven terwijl hij zich steeds onderwierp aan de wil van diezelfde Paradijs-Vader.
129:3.6Het zal ook altijd dienstig zijn voor het verstaan van Jezus’ leven op aarde indien alle stervelingen die een studie maken van deze goddelijke zelfschenking, in gedachten houden dat hoewel hij dit geïncarneerde leven op Urantia leidde, hij dit deed voor zijn gehele universum. Voor iedere afzonderlijke bewoonde wereld in heel het universum Nebadon was er iets speciaals en inspirerends verbonden aan het leven dat hij leidde in het vlees van de sterfelijke natuur. Hetzelfde geldt voor al die werelden die bewoonbaar geworden zijn sedert de gedenkwaardige tijd van zijn verblijf op Urantia. En dit zal eveneens gelden voor alle werelden die in de hele toekomstige geschiedenis van dit plaatselijk universum door wilsschepselen bewoond zullen worden.
129:3.7De Zoon des Mensen voltooide, in de tijd van deze rondreis door de Romeinse wereld en door de ervaringen die hij hierbij opdeed, praktisch gesproken zijn educatieve contact-training met de gevarieerde volken van de wereld van zijn tijd en generatie. Door middel van deze reis-training had hij tegen de tijd van zijn terugkeer naar Nazaret wel ongeveer geleerd hoe de mens op Urantia leefde en zich daar een bestaan verschafte.
129:3.8Het werkelijke doel van zijn reis rond de Middellandse Zee was om mensen te leren kennen. Hij kwam op deze reis in nauw contact met honderden mensen. Hij ontmoette mensen van alle slag en hield van hen, rijk en arm, hoog en laag, zwart en blank, ontwikkeld en onontwikkeld, beschaafd en onbeschaafd, animalistisch en geestelijk, religieus en niet-religieus, moreel en immoreel.
129:3.9Op deze reis rond de Middellandse Zee maakte Jezus grote vorderingen ten aanzien van zijn opgave als mens om zijn materiële, sterfelijke bewustzijn te leren beheersen, en zijn inwonende Richter boekte grote vooruitgang bij zijn opgang in, en geestelijke verovering van, ditzelfde menselijke verstand. Tegen het einde van deze rondreis wist Jezus in wezen – met alle menselijke zekerheid – dat hij een Zoon van God was, een Schepper-Zoon van de Universele Vader. De Richter was steeds beter in staat in het bewustzijn van de Zoon des Mensen vage herinneringen naar boven te brengen aan zijn ervaring in het Paradijs, toen hij samenwerkte met zijn goddelijke Vader, nog voor hij was begonnen dit plaatselijk universum Nebadon te organiseren en te besturen. Zo bracht de Richter het menselijke bewustzijn van Jezus stap voor stap de noodzakelijke herinneringen bij aan zijn eerdere, goddelijke bestaan in de verschillende tijdvakken van het welhaast eeuwige verleden. De laatste episode in zijn voormenselijke ervaring die de Richter opriep, was zijn afscheidsbespreking met Immanuel van Salvington, vlak vóór hij zijn bewuste persoonlijkheid overgaf om de incarnatie op Urantia aan te vangen. En dit laatste herinneringsbeeld aan zijn voormenselijke bestaan werd Jezus weer helder bewust gemaakt op dezelfde dag dat hij door Johannes werd gedoopt in de Jordaan.
4. DE MENSELIJKE JEZUS
129:4.1Voor de toeschouwende hemelse verstandelijke wezens van het plaatselijk universum was deze reis rond de Middellandse Zee de meest betoverende van Jezus’ ervaringen op aarde, althans van zijn gehele levensloop tot vlak voor de gebeurtenis van zijn kruisiging en dood als sterveling. Dit was de fascinerende periode van zijn persoonlijk dienstbetoon in tegenstelling tot het tijdperk van zijn openbare optreden, dat spoedig daarop volgde. Deze unieke episode was des te boeiender, omdat hij in deze tijd nog steeds de timmerman uit Nazaret was, de scheepsbouwer uit Kafarnaüm, de schrijver uit Damascus; hij was nog steeds de Zoon des Mensen. Hij had nog niet de volledige beheersing van zijn menselijke bewustzijn bereikt; de Richter had nog geen volledige beheersing over zijn identiteit als sterveling en had de tegenhanger daarvan nog niet voltooid. Hij was nog steeds een mens onder de mensen.
129:4.2De zuiver menselijke religieuze ervaring – de persoonlijke geestelijke groei – van de Zoon des Mensen bereikte dit jaar, zijn negenentwintigste, welhaast het hoogtepunt van wat bereikt kon worden. Deze ervaring van geestelijke ontwikkeling was een constant gestage groei, van het moment dat zijn Gedachtenrichter arriveerde tot de dag van de voltooiing en bevestiging van die natuurlijke, normale menselijke verhouding tussen het materiële bewustzijn van de mens en het bewustzijn waarmee de geest is begiftigd – het verschijnsel dat deze twee vormen van bewustzijn één worden gemaakt, de ervaring die de Zoon des Mensen volledig en definitief bereikte als geïncarneerde sterveling van dit gebied, op de dag van zijn doop in de Jordaan.
129:4.3Hoewel hij schijnbaar niet zo vaak tijd gaf aan perioden van formele gemeenschap met zijn Vader in de hemel, vervolmaakte hij gedurende al deze jaren steeds doeltreffender methoden voor persoonlijke communicatie met de inwonende geest-tegenwoordigheid van de Paradijs-Vader. Hij leidde een echt leven, een vol leven, en een waarlijk normaal, natuurlijk en gewoon leven in het vlees. Hij kent uit persoonlijke ervaring het equivalent van de actualiteit van de gehele som en essentie van het leven dat mensen leiden op de materiële werelden in tijd en ruimte.
129:4.4De Zoon des Mensen ervoer de grote verscheidenheid aan menselijke emoties, van de hoogste vreugde tot de diepste smart. Hij was een kind van vreugde en een mens met een zeldzaam goed humeur; hij was eveneens een ‘man van smarten en vertrouwd met verdriet.’ In geestelijke zin maakte hij het leven van een sterveling door van het laagste naar het hoogste punt, van het begin tot het einde. Uit materieel oogpunt gezien kan het lijken alsof hem het lot bespaard is gebleven om de beide sociale uitersten van het menselijk bestaan door te moeten maken, maar verstandelijk raakte hij geheel vertrouwd met de gehele, complete ervaring van de mensheid.
129:4.5Jezus kent de gedachten en gevoelens, de aandriften en impulsen van de evolutionaire, opklimmende stervelingen van de werelden, van hun geboorte tot aan hun dood. Hij heeft het leven van een mens geleid van de aanvang van de fysieke, verstandelijke, en geestelijke individualiteit, via de prille jeugd, de kinderjaren, de jeugd tot en met de volwassenheid – tot zelfs de menselijke ervaring van de dood toe. Hij heeft niet alleen deze gewone, bekende menselijke perioden van verstandelijke en geestelijke vooruitgang doorgemaakt, maar hij heeft ook ten volle die hogere, verdere fasen van de verzoening tussen mens en Richter ondervonden, die zo weinig stervelingen op Urantia ooit bereiken. En zo heeft hij het volle leven van de sterfelijke mens ervaren, niet alleen het leven zoals dit op uw wereld wordt geleid, maar ook zoals het wordt geleid op alle andere evolutionaire werelden in tijd en ruimte, zelfs op de hoogste, verst gevorderde van alle werelden die bestendigd zijn in licht en leven.
129:4.6Ofschoon dit volmaakte leven dat hij in de gelijkenis van het sterfelijke vlees leidde, niet de onvoorwaardelijke, universele goedkeuring mocht ontvangen van zijn medestervelingen, van hen die toevallig zijn tijdgenoten op aarde waren, werd het leven in het vlees van Jezus van Nazaret op Urantia door de Universele Vader wel geheel en onvoorwaardelijk aanvaard, als zijnde, op één en hetzelfde moment en in één en hetzelfde persoonlijkheidsleven, de volheid van de openbaring van de eeuwige God aan de sterfelijke mens, en de presentatie van vervolmaakte menselijke persoonlijkheid tot de voldoening van de Oneindige Schepper.
129:4.7En dit was zijn ware, allerhoogste doeleinde. Hij is niet naar Urantia afgedaald om daar te leven als het volmaakte, gedetailleerde voorbeeld voor ieder kind of volwassene, voor iedere man of vrouw, van die tijd of van enig andere tijd. Zeker is het zo, dat wij allen in zijn volle, rijke, schone, en nobele leven veel kunnen vinden dat ons uitnemend tot voorbeeld strekt, goddelijk inspirerend is, maar dat is omdat hij een waar, echt menselijk leven leidde. Jezus leefde niet op aarde om een voorbeeld ter navolging te stellen voor alle andere mensen. Hij leefde dit leven in het vlees door hetzelfde barmhartigheidsbetoon waardoor gij allen uw leven op aarde kunt leiden; en zoals hij zijn sterfelijk leven leidde in zijn tijd en zoals hij was , gaf hij ons allen het voorbeeld om ons leven te leiden in onze tijd en zoals wij zijn. Ge kunt er niet naar streven om zijn leven te leiden, maar ge kunt wel besluiten uw leven te leiden zoals hij zijn leven leidde, en met dezelfde middelen als hij. Jezus is misschien niet het formele, gedetailleerde voorbeeld voor alle stervelingen van alle tijden in alle gebieden van dit plaatselijk universum, maar hij is immer en altijd de inspiratie en gids van alle Paradijs-pelgrims uit de werelden waar hun opklimming een aanvang neemt, via een universum van universa en verder, via Havona naar het Paradijs. Jezus is de nieuwe levende weg van de mens naar God, van het gedeeltelijke naar het volmaakte, van het aardse naar het hemelse, van de tijd naar de eeuwigheid.
129:4.8Tegen het einde van zijn negenentwintigste jaar was Jezus van Nazaret zo goed als klaar met het leven dat wordt verlangd van stervelingen die in het vlees verblijven. Hij kwam op aarde als de volheid Gods die manifest zou worden voor de mens; hij was nu vrijwel de volmaaktheid des mensen geworden, die de gelegenheid afwachtte om manifest te worden voor God. En dit alles had hij tot stand gebracht nog vóór hij dertig jaar oud was.
Text from HET URANTIA BOEK © 1997 Urantia Foundation used by permission.
The Multilingual Urantia Book © 2007 Urantia Book Fellowship.