VERHANDELING 132. HET VERBLIJF TE ROME
132:0.1DAAR Gonod heilwensen van de vorsten van India moest overbrengen aan Tiberius, de Romeinse heerser, verschenen de twee Indiërs en Jezus op de derde dag na hun aankomst in Rome voor hem. De gemelijke keizer was die dag ongewoon opgewekt en onderhield zich langdurig met het drietal. Toen de audiëntie voorbij was, zei de keizer tot de adjudant aan zijn rechterzijde, doelende op Jezus: ‘Als ik de koninklijke houding en hoffelijke manieren van die man had, zou ik een echte keizer zijn, wat?’
132:0.2Zolang zij in Rome waren, had Ganid vaste uren om te studeren en bezienswaardigheden in de stad te bezoeken. Zijn vader had veel zaken te doen, en omdat hij wenste dat zijn zoon zich zou ontwikkelen tot een waardige opvolger in het beheer van zijn grote handelsbelangen, achtte hij nu de tijd gekomen om de jongen te introduceren in de zakenwereld. Er verbleven vele Indiase staatsburgers in Rome, en dikwijls vergezelde één van Gonods eigen employé’s hem als tolk, zodat Jezus hele dagen voor zichzelf had; hierdoor kreeg hij de tijd deze stad van twee miljoen inwoners grondig te leren kennen. Hij was dikwijls te vinden op het forum, het centrum van het politieke, justitiële en zakenleven. Hij ging dikwijls naar het Capitool en bij de beschouwing van deze prachtige tempel die gewijd was aan Jupiter, Juno en Minerva, dacht hij na over de slavernij van onwetendheid waarin deze Romeinen verkeerden. Hij bracht ook veel tijd door op de Palatijnse heuvel, waar het paleis van de keizer, de tempel van Apollo en de Griekse en Latijnse bibliotheken stonden.
132:0.3In die tijd omvatte het Romeinse Keizerrijk heel Zuid-Europa, Klein-Azië, Syrië, Egypte en Noordwest-Afrika; bovendien bevonden zich onder zijn inwoners burgers van ieder land van het oostelijk halfrond. Jezus’ verlangen om deze kosmopolitische verzameling stervelingen van Urantia te bestuderen en zich onder hen te begeven, was de voornaamste reden waarom hij erin had toegestemd deze reis te maken.
132:0.4Jezus leerde veel over de mensen terwijl hij in Rome was, maar de waardevolste van al zijn veelsoortige ervaringen gedurende de zes maanden van zijn verblijf in deze stad was zijn contact met, en invloed op de religieuze leiders van de hoofdstad van het keizerrijk. Vóór het eind van zijn eerste week in Rome had Jezus reeds de belangrijkste leiders van de Cynici, de Stoïcijnen, en de mysteriën, met name de Mithrasgroep, opgespoord en kennis met hen gemaakt. Of het Jezus al of niet duidelijk was dat de Joden zijn missie zouden afwijzen, hij voorzag in ieder geval dat zijn boodschappers weldra naar Rome zouden komen om het koninkrijk des hemels te verkondigen; daarom begon hij op een hoogst verbazingwekkende wijze hun weg te bereiden, zodat hun boodschap des te beter en zekerder zou worden ontvangen. Hij koos vijf van de toonaangevende Stoïcijnen uit, elf van de Cynici, en zestien leiders der mysteriën, en bracht bijna zes maanden lang een groot gedeelte van zijn vrije tijd door in vertrouwelijke omgang met deze religieuze leiders. Zijn methode van onderricht was als volgt: niet één maal viel hij hen aan op hun dwalingen of noemde hij zelfs maar de zwakke plekken in hun leerstellingen. Telkens haalde hij naar voren wat waar was in wat zij onderrichtten en begon dan deze waarheid zoveel mooier en helderder te maken in hun denken, dat deze verdieping van de waarheid in zeer korte tijd de dwaling die ermee verbonden was doeltreffend buitensloot; en zo werden deze door Jezus onderrichte mannen en vrouwen voorbereid om latere, aanvullende en soortgelijke waarheden te kunnen herkennen in het onderricht van de eerste Christelijke zendelingen. En deze vroegtijdige aanvaarding van het onderricht van de predikers van het evangelie was de stuwende kracht waardoor het Christendom zich zo snel verspreidde in Rome, en vandaar door het hele keizerrijk.
132:0.5Ge kunt de betekenis van deze merkwaardige handelwijze het best begrijpen wanneer wij het feit vermelden dat uit deze groep van tweeëndertig door Jezus in Rome onderrichte religieuze leiders, slechts twee geen vruchten voortbrachten; de overige dertig werden hoofdfiguren bij de vestiging van het Christendom in Rome, en enkelen van hen hielpen ook de voornaamste Mithrastempel om te bouwen tot de eerste Christelijke kerk van de stad. Wij, die de menselijke activiteiten van achter de schermen en in het licht van negentien eeuwen geschiedenis waarnemen, zien maar drie factoren die van overwegend belang waren in de eerste voorbereidingen voor de snelle verbreiding van het Christendom door heel Europa, te weten:
1. de keuze en het vasthouden van Simon Petrus als apostel;
2. het gesprek in Jeruzalem met Stefanus, door wiens dood Saulus van Tarsus voor het evangelie werd gewonnen;
3. de eerdere voorbereiding van deze dertig Romeinen op hun latere leidersrol in de nieuwe religie te Rome en in het gehele keizerrijk.
132:0.6Gedurende al hun ervaringen beseften noch Stefanus, noch de dertig gekozenen ooit dat ze eens gesproken hadden met de man wiens naam het onderwerp van hun religieuze onderricht werd. Jezus’ werk voor de aanvankelijke tweeëndertig leiders was geheel persoonlijk. In zijn arbeid voor deze mensen sprak de schrijver uit Damascus nooit met meer dan drie van hen tegelijk en zelden met meer dan twee, terwijl hij hun meestal afzonderlijk onderricht gaf. En het was hem mogelijk om dit grote werk te verrichten, om hun deze religieuze opleiding te geven, omdat deze mannen en vrouwen niet aan traditie gebonden waren: ze waren niet het slachtoffer van vaste vooronderstellingen betreffende alle toekomstige religieuze ontwikkelingen.
132:0.7Het gebeurde vele malen in de jaren die zo spoedig zouden volgen, dat Petrus, Paulus en de andere Christelijke leraren in Rome hoorden over deze schrijver uit Damascus, die hun was voorgegaan en die zo klaarblijkelijk (en naar zij meenden, onbedoeld) de weg had bereid voor hun komst met het nieuwe evangelie. Ofschoon Paulus nooit werkelijk vermoedde wie deze schrijver uit Damascus was, kwam hij, vanwege de overeenkomst in persoonlijke beschrijvingen, kort voor zijn dood tot de conclusie dat de ‘tentmaker uit Antiochië’ dezelfde was als ‘de schrijver uit Damascus.’ Eens, toen Simon Petrus in Rome predikte en hem de schrijver uit Damascus beschreven werd, kreeg hij het vermoeden dat deze man misschien Jezus was geweest, maar hij verwierp dit idee weer snel, want hij wist zeker (althans dat dacht hij) dat de Meester nooit in Rome was geweest.
1. WARE WAARDEN
132:1.1Met de leider van de Stoïcijnen, Angamon, had Jezus al in het begin van zijn verblijf in Rome een gesprek dat de hele nacht duurde. Later werd deze man een groot vriend van Paulus en betoonde hij zich één der steunpilaren van de Christelijke kerk te Rome. Kort samengevat en weergegeven in moderne bewoordingen, onderrichtte Jezus Angamon het volgende:
132:1.2De maatstaf voor ware waarden moet men zoeken in de geestelijke wereld en op de goddelijke niveaus van de eeuwige realiteit. Door een opklimmende sterveling moeten alle lagere, materiële standaarden worden onderkend als voorbijgaand, gedeeltelijk en inferieur. De wetenschapsmens als zodanig is beperkt tot het ontdekken van de samenhang van materiële feiten. Technisch gesproken heeft hij niet het recht te beweren dat hij een materialist of een idealist is, want hierdoor heeft hij zich reeds de vrijheid veroorloofd de instelling van een ware natuurwetenschapsmens te laten varen, aangezien al dergelijke verklaringen ten aanzien van de eigen instelling het diepste wezen zijn van de filosofie.
132:1.3Tenzij het morele inzicht en het geestelijke niveau van de mensheid zich evenredig verdiepen, kan de onbeperkte vooruitgang van een zuiver materialistische cultuur uiteindelijk een bedreiging worden voor de civilisatie. Een zuiver materialistische wetenschap bergt in zichzelf het potentiële zaad van de vernietiging van alle wetenschappelijk streven, want deze instelling zelf is een voorteken van de uiteindelijke ineenstorting van een beschaving die haar gevoel voor morele waarden heeft prijsgegeven en het geestelijke doel dat ze zou moeten bereiken, heeft verworpen.
132:1.4De materialistische wetenschapsmens en de extreme idealist zijn voorbestemd om altijd met elkaar overhoop te liggen. Dit geldt niet voor die wetenschapsmensen en idealisten die een gemeenschappelijke maatstaf hebben van hoge morele waarden en geestelijke toetsingsniveaus. In elk tijdperk moeten wetenschapsmensen en religieuze mensen beseffen dat ze terechtstaan voor de rechtbank van menselijke nood. Ze moeten alle onderlinge oorlogvoering vermijden en moedig streven om hun voortbestaan te rechtvaardigen door een sterkere toewijding aan het dienen van de menselijke vooruitgang. Indien de zogenaamde wetenschap of religie van een tijdperk onjuist is, moet zij haar activiteiten zuiveren, of het veld ruimen voor de opkomst van een materiële wetenschap of geestelijke religie van een echtere, waardiger orde.
2. GOED EN KWAAD
132:2.1Mardus was de erkende leider van de Cynici in Rome, en hij werd een groot vriend van de schrijver uit Damascus. Dag in dag uit voerde hij gesprekken met Jezus en avond na avond luisterde hij naar zijn verheven onderricht. Een van de belangrijkste gesprekkken met Mardus had ten doel antwoord te geven op de vraag van deze oprechte Cynicus naar goed en kwaad. Kort samengevat, en in de taal van de twintigste eeuw, zei Jezus:
132:2.2Broeder, goed en kwaad zijn slechts woorden die relatieve niveaus van het menselijke begrip van het waarneembare universum symboliseren. Indien ge ethisch lui bent en onverschillig staat tegenover uw medemensen, kunt ge de gangbare sociale gebruiken als uw normen voor het goede hanteren. Indien ge geestelijk indolent zijt en moreel niet naar vooruitgang streeft, neemt ge wellicht als norm van het goede de religieuze gebruiken en tradities van uw tijdgenoten over. Maar de ziel die de tijd overleeft en in de eeuwigheid verschijnt, moet een levende, persoonlijke keuze maken tussen goed en kwaad, zoals deze worden bepaald door de ware waarden volgens de geestelijke standaarden die worden vastgesteld door de goddelijke geest die de Vader in de hemel heeft gezonden om in het hart van de mens te wonen. Deze inwonende geest is de standaard voor persoonlijkheidsoverleving.
132:2.3Goedheid is, evenals waarheid, altijd relatief en wordt zonder uitzondering met kwaad gecontrasteerd. Het is de waarneming van deze kwaliteiten van goedheid en waarheid die de evoluerende ziel der mensen in staat stelt om die persoonlijke keuze-beslissingen te nemen die van wezenlijk belang zijn voor de eeuwige overleving.
132:2.4De geestelijk blinde mens, die logischerwijze het dictaat van de wetenschap, de gebruik- en in de samenleving en de religieuze dogmatiek volgt, loopt ernstig gevaar zijn morele vrijheid op te offeren en zijn geestelijke vrijheid te verliezen. Zo’n ziel is voorbestemd om een intellectuele papegaai, een sociale automaat en een slaaf van het religieuze gezag te worden.
132:2.5Goedheid groeit steeds naar nieuwe hoogten van de toenemende vrijheid van morele zelfverwerkelijking en geestelijke persoonlijkheidsverworvenheid – de ontdekking van en identificatie met de inwonende Richter. Een ervaring is goed wanneer zij de waardering van schoonheid verhoogt, de morele wil sterker maakt, het vermogen om waarheid te onderscheiden uitbreidt, de capaciteit om de medemens lief te hebben en van dienst te zijn versterkt, de geestelijke idealen verheft en de allerhoogste menselijke motieven in de tijd verenigt met de eeuwige plannen van de inwonende Richter: dit alles voert rechtstreeks tot een groter verlangen om de wil van de Vader te doen, waarbij de goddelijke hartstocht om God te zoeken en hem meer gelijk te worden, wordt bevorderd.
132:2.6Bij het beklimmen van de universum-trappen van de ontwikkeling van schepselen, zult ge toenemende goedheid vinden en afnemend kwaad, in volmaakte overeenstemming met uw capaciteit tot het ervaren van goedheid en het onderscheiden van waarheid. Het vermogen om te dwalen, ofwel kwaad te ervaren, zal pas verdwijnen, wanneer de opklimmende menselijke ziel finale geest-niveaus bereikt.
132:2.7Goedheid is levend, relatief, altijd in ontwikkeling, is onveranderlijk een persoonlijke ervaring, en is eeuwig gecorreleerd met het onderscheiden van waarheid en schoonheid. Goedheid wordt gevonden in de herkenning van de positieve waarheid-waarden van het geestelijke niveau, die in de menselijke ervaring gecontrasteerd moeten worden met het negatieve tegendeel – de schaduwen van het potentiële kwaad.
132:2.8Totdat ge de niveaus van het Paradijs bereikt, zal goedheid altijd meer een zoeken en najagen zijn dan een bezit, meer een doel dan de ervaring dat ge haar hebt bereikt. Maar zelfs terwijl ge hongert en dorst naar rechtvaardigheid, ervaart ge steeds meer voldoening in het ten dele verwerven van goedheid. De aanwezigheid van goed en kwaad in de wereld is op zichzelf het positieve bewijs van het bestaan en de werkelijkheid van ’s mensen morele wil, de persoonlijkheid, die deze waarden aldus identificeert en ook in staat is tussen deze te kiezen.
132:2.9Tegen de tijd dat de opklimmende sterveling het Paradijs bereikt, is zijn capaciteit om zijn zelf te identiferen met ware geest-waarden zo vergroot, dat het is uitgelopen op het bereiken van het volmaakte bezit van het licht des levens. Zo’n volmaakt geworden geest-persoonlijkheid komt tot zulk een gehele, goddelijke en geestelijke vereniging met de positieve, allerhoogste kwaliteiten van goedheid, schoonheid en waarheid, dat het niet meer mogelijk is dat deze rechtvaardige geest ook maar enige negatieve schaduw van potentieel kwaad afwerpt wanneer hij wordt blootgesteld aan de doorvorsende straling van het goddelijke licht van de oneindige Regeerders van het Paradijs. In al zulke geest-persoonlijkheden is goedheid niet meer partieel, contrasterend en comparatief; zij is goddelijk volledig geworden en geestelijk vervuld: zij benadert de zuiverheid en volmaaktheid van de Allerhoogtste.
132:2.10De mogelijkheid van het kwaad is noodzakelijk voor de morele keuze, maar niet de actualiteit ervan. Een schaduw is alleen in relatieve zin werkelijk. Actueel kwaad is niet noodzakelijk als persoonlijke ervaring. Op de lagere niveaus van geestelijke ontwikkeling werkt potentieel kwaad even goed als aansporing tot beslissingen op het terrein van morele vooruitgang. Het kwaad wordt slechts dan een werkelijkheid in de persoonlijke ervaring, wanneer een moreel bewustzijn het kwade tot zijn keuze maakt.
3. WAARHEID EN GELOOF
132:3.1Nabon, een Griekse Jood, was de opmerkelijkste leider van de belangrijkste mysteriën in Rome, die van Mithras. Ofschoon deze hogepriester van het Mithraïsme vele gesprekken had met de schrijver uit Damascus, werd hij het duurzaamst beïnvloed door een discussie over waarheid en geloof die ze op een avond voerden. Nabon had gedacht dat hij Jezus kon bekeren en had hem zelfs voorgesteld dat hij als een Mithraïsch leraar terug zou gaan naar Palestina. Hij besefte helemaal niet dat Jezus bezig was hem voor te bereiden om een van de eerste bekeerlingen van het evangelie van het koninkrijk te worden. De essentie van Jezus’ onderricht, opnieuw geformuleerd in moderne bewoordingen, was als volgt:
132:3.2Waarheid kan niet worden gedefinieerd in woorden, maar alleen door haar te leven. Waarheid is altijd meer dan kennis. Kennis heeft betrekking op waargenomen dingen, maar waarheid gaat zulke zuiver materiële niveaus te boven, doordat zij verenigbaar is met wijsheid en zulke imponderabilia omvat als de menselijke ervaring, ja zelfs geestelijke, levende werkelijkheden. Kennis heeft zijn oorsprong in de natuurwetenschap; wijsheid in ware filosofie; waarheid in de religieuze ervaring van geestelijk leven. Kennis heeft te maken met feiten; wijsheid met verhoudingen; waarheid met werkelijkheidswaarden.
132:3.3De mens heeft de neiging vaste vorm te geven aan de natuurwetenschap, de filosofie te formaliseren en waarheid te dogmatiseren, omdat hij mentaal lui is wanneer hij zich moet aanpassen aan de progressieve worstelingen van het leven, terwijl hij ook vreselijk bang is voor het onbekende. De natuurlijke mens zet slechts traag veranderingen in zijn denkgewoonten en in zijn levenswijzen in gang.
132:3.4Geopenbaarde waarheid, persoonlijk ontdekte waarheid, is de allerhoogste vreugde van de menselijke ziel; zij is de gezamenlijke schepping van het materiële bewustzijn en de inwonende geest. Het eeuwige heil van zulk een ziel die waarheid onderkent en schoonheid liefheeft, wordt verzekerd door die honger en dorst naar goedheid, die een sterfelijk mens ertoe brengt zich maar één doel voor ogen te stellen, namelijk de wil van de Vader te doen, om God te zoeken en te worden zoals hij. Er bestaat nooit strijdigheid tussen ware kennis en waarheid. Er kan wel strijdigheid bestaan tussen kennis en menselijke geloofsovertuigingen, overtuigingen gekleurd door vooroordeel, vervormd door vrees, en overheerst door de sterke angst om nieuwe feiten van materiële ontdekkingen of geestelijke vooruitgang onder ogen te zien.
132:3.5Maar waarheid kan nooit het bezit van de mens worden zonder dat hij gelooft. Dit is het geval omdat de gedachten, wijsheid, ethiek en idealen van een mens nooit hoger zullen rijzen dan zijn geloof, zijn sublieme hoop. Al zulk waar geloof stoelt op diepgaand nadenken, oprechte zelfkritiek, en een onwrikbaar moreel bewustzijn. Geloof is de inspiratie der geestelijk geworden scheppende verbeelding.
132:3.6Het geloof werkt zodanig, dat het de weg vrijmaakt voor de bovenmenselijke activiteiten van de goddelijke vonk, de onsterfelijke kiem die in het bewustzijn van de mens leeft en het potentieel is van zijn eeuwige overleving. Planten en dieren overleven in de tijd door middel van de techniek waardoor zij van de ene generatie naar de volgende identieke deeltjes van zichzelf doorgeven. De ziel (persoonlijkheid) van de mens overleeft de dood van de sterveling door identiteitsassociatie met deze inwonende vonk van goddelijkheid, die onsterfelijk is en die werkt teneinde de menselijke persoonlijkheid te bestendigen op een voortgezet, hoger niveau van progressief bestaan in het universum. Het verborgen zaad van de menselijke ziel is een onsterfelijke geest. De tweede generatie van de ziel is de eerste van een reeks persoonlijkheidsmanifestaties in geestelijke en steeds hogere vormen van bestaan, die pas eindigen wanneer deze goddelijke entiteit de oorsprong van zijn bestaan bereikt, de persoonlijke bron van alle bestaan, God, de Universele Vader.
132:3.7Het menselijke leven gaat door – overleeft – omdat het een functie in het universum heeft, namelijk de taak om God te zoeken. De door geloof geactiveerde ziel van de mens kan niet stil- houden totdat zij dit doel van haar bestemming heeft bereikt; en wanneer de ziel dit god- delijke doel eenmaal bereikt, kent ze geen einde meer omdat ze zoals God geworden is – eeuwig.
132:3.8Geestelijke evolutie is een ervaring van de toenemende, vrijwillige keuze van goedheid, gepaard aan een even grote progressieve afname van de mogelijkheid tot kwaad. Met het bereiken van de finale keuze voor goedheid en van een volkomen capaciteit tot het waarderen van waarheid, ontstaat er een volmaaktheid van schoonheid en heiligheid, welks rechtvaardigheid het voor eeuwig onmogelijk maakt dat zelfs maar het denkbeeld van potentieel kwaad opduikt. Zulk een Godkennende ziel werpt geen schaduw van twijfelend kwaad wanneer zij functioneert op zulk een hoog geest-niveau van goddelijke goedheid.
132:3.9De tegenwoordigheid van de Paradijs-geest in het bewustzijn van de mens vormt de openbaringsbelofte en de geloofsgelofte van een eeuwig bestaan van goddelijke vooruitgang voor iedere ziel die tracht identiteit te bereiken met dit onsterfelijke inwonende geest-fragment van de Universele Vader.
132:3.10Vooruitgang in het universum wordt gekenmerkt door een toenemende persoonlijkheidsvrijheid, omdat zij verbonden is met het progressieve bereiken van steeds hogere niveaus van zelfbegrip en de vrijwillige zelfbeteugeling die daarvan het gevolg is. Het bereiken van volmaakte geestelijke zelfbeheersing staat gelijk aan het bereiken van volledige universum-vrijheid en volledige persoonlijke vrijheid. Het geloof verleent kracht aan de ziel van de mens en houdt haar staande in de verwarring van zijn prille oriëntatie in zulk een uitgestrekt universum, terwijl het gebed de grote vereniger wordt van de gevarieerde inspiraties van de scheppende verbeelding en de geloofsaansporingen van een ziel die zich tracht te identificeren met de geest-idealen van de inwonende goddelijke tegenwoordigheid waarmee zij is verbonden.
132:3.11Nabon was zeer onder de indruk van deze woorden, zoals hij dit van elk van zijn gesprekken met Jezus was. Deze waarheden bleven branden in zijn hart, en hij was een grote hulp voor de predikers van het evangelie van Jezus toen dezen later arriveerden.
4. PERSOONLIJK DIENSTBETOON
132:4.1Jezus besteedde in Rome niet al zijn vrije tijd aan dit werk om mannen en vrouwen voor te bereiden op hun toekomstige functie als discipelen in het aanstaande koninkrijk. Veel tijd besteedde hij aan het verwerven van een diepgaande kennis van alle rassen en klassen der mensen die woonden in deze stad, de grootste en meest kosmopolitische van de wereld. Bij elk van deze talrijke contacten met mensen had Jezus een tweeledige bedoeling: hij wilde hun reacties leren kennen op het leven dat zij in het vlees leidden, en hij was ook van zins iets te zeggen of te doen om dat leven rijker en meer de moeite waard te maken. Zijn religieuze onderrichtingen in deze weken waren niet anders dan het onderricht dat kenmerkend was voor zijn latere leven als leraar van de twaalf en prediker voor de menigten.
132:4.2Altijd was de essentie van zijn boodschap het feit van de liefde van de hemelse Vader en de waarheid van zijn barmhartigheid, gekoppeld aan het goede nieuws dat de mens een geloofszoon is van deze zelfde God van liefde. Jezus’ gebruikelijke manier om contact te maken met mensen was om hen uit hun tent te lokken en hen aan het praten te krijgen door hun vragen te stellen. Het gesprek begon gewoonlijk doordat Jezus vragen stelde en eindigde er meestal mee dat zij hem vragen stelden. Hij kon even deskundig onderrichten door het stellen van vragen als door het beantwoorden van vragen. Als regel leerde hij die personen het meest tot wie hij het minste zei. Zij die de meeste baat hadden van zijn persoonlijke dienstbetoon, waren overbelaste, bange en terneergeslagen stervelingen, die zeer opgelucht waren wanneer zij de g elegenheid kregen hun ziel van een last te bevrijden tegenover een meevoelende, begripvolle luisteraar, en dat was hij, en nog veel meer dan dat. En wanneer deze slecht aangepaste mensen Jezus over hun moeilijkheden hadden verteld, kon hij altijd praktische, direct bruikbare suggesties doen met het oog op de rechtzetting van hun werkelijke moeilijkheden, al liet hij niet na woorden van onmiddellijke bemoediging en vertroosting te spreken. En altijd vertelde hij deze noodlijdende stervelingen over de liefde van God en deelde hij hun op allerlei verschillende wijzen mee dat zij kinderen waren van deze liefhebbende Vader in de hemel.
132:4.3Op deze wijze kwam Jezus tijdens zijn verblijf in Rome in liefdevol, opbeurend persoonlijk contact met meer dan vijfhonderd stervelingen van het gebied. Hij verwierf zo een mate van kennis omtrent de verschillende rassen der mensheid, die hij nooit in Jeruzalem had kunnen opdoen, en zelfs nauwelijks in Alexandrië. Hij beschouwde dit halfjaar altijd als een van de rijkste en leerzaamste van alle overeenkomstige perioden in zijn aardse leven.
132:4.4Zoals verwacht mocht worden, kon zulk een veelzijdig en initiatiefrijk man niet zes maanden in de hoofdstad van de wereld werkzaam zijn zonder benaderd te worden door talrijke personen die zich van zijn diensten wilden verzekeren in verband met de een of andere zaak, of, nog vaker, ten behoeve van een of ander project van onderwijs, sociale hervorming, of van een religieuze beweging. Er werden hem meer dan een dozijn van zulke aanbiedingen gedaan, en hij benutte deze telkens als een gelegenheid om een geestelijk verheffende gedachte te berde te brengen in welgekozen bewoordingen, of door de ander een dienst te bewijzen waarmee hij deze een genoegen deed. Jezus hield er zeer van om voor allerlei soorten mensen dingen te doen, al waren het maar kleinigheden.
132:4.5Hij sprak met een Romeinse senator over politiek en staatsmanschap, en dit ene contact met Jezus maakte zo’n indruk op dit lid van de wetgevende macht, dat hij gedurende zijn hele verdere leven tevergeefs bleef trachten zijn collega’s ertoe te brengen de loop van het heersende beleid, het idee dat de regering het volk diende te ondersteunen en te voeden, om te buigen tot het idee dat het volk de regering diende te ondersteunen. Jezus bracht een avond door met een rijke slavenhouder en sprak over de mens als een zoon van God, waarop deze man, Claudius, de volgende dag aan honderdzeventien slaven de vrijheid gaf. Hij dineerde bij een Griekse arts en zei hem dat zijn patiënten evengoed een bewustzijn en een ziel hadden als een lichaam, en zo bracht hij deze bekwame arts ertoe te pogen zijn medemens op meer vèrreikende wijze bijstand te verlenen. Hij sprak met alle soorten mensen van iedere maatschappelijke rang. De enige gelegenheden in Rome die hij niet bezocht waren de openbare baden. Hij weigerde zijn vrienden naar de baden te vergezellen vanwege de seksuele promiscuïteit die daar heerste.
132:4.6Tot een Romeinse soldaat zei hij, terwijl ze langs de Tiber wandelden: ‘Heb niet alleen een moedige hand, maar ook een moedig hart. Durf het aan recht te doen en wees groot genoeg om barmhartigheid te betonen. Dwing uw lagere natuur te gehoorzamen aan uw hogere natuur, zoals gij ook uw meerderen gehoorzaamt. Heb respect voor goedheid en houd de waarheid hoog. Kies het schone in plaats van het lelijke. Heb uw medemensen lief en tracht God te vinden met uw gehele hart, want God is uw Vader in de hemel.’
132:4.7Tegen de spreker op het forum zei hij: ‘Uw welsprekendheid is een genoegen, uw logica is bewonderenswaardig, uw stem is aangenaam, maar wat ge leert is nauwelijks waar. Indien ge maar de inspirerende voldoening zoudt kunnen voelen dat ge God kent als uw geestelijke Vader, dan zoudt ge uw gaven des woords kunnen gebruiken om uw medemensen te bevrijden uit de gevangenschap der duisternis en uit de slavernij van onwetendheid.’ Deze man was de Marcus die naar de prediking van Petrus in Rome luisterde en zijn opvolger werd. Toen Simon Petrus werd gekruisigd, trotseerde deze man de Romeinse vervolgers en zette de prediking van het nieuwe evangelie stoutmoedig voort.
132:4.8Toen hij een arme man ontmoette die ten onrechte van iets was beschuldigd, verscheen Jezus samen met hem voor de magistraat en hield, nadat hem speciale toestemming was verleend om namens de man het woord te voeren, een prachtige toespraak waarin hij onder meer zei: ‘Gerechtigheid maakt een natie groot, en hoe groter een natie, hoe zorgvuldiger zij erop zal toezien dat zelfs haar nederigste burger geen onrecht wordt aangedaan. Wee een natie wanneer alleen zij die over geld en invloed beschikken gemakkelijk recht kunnen verkrijgen bij de rechtbanken! Het is de heilige plicht van een magistraat om evengoed de onschuldige vrij te spreken als de schuldige te straffen. Van de onpartijdigheid, fairheid en onkreukbaarheid van haar rechtbanken is het voortbestaan van een natie afhankelijk. Het burgerlijk bestuur is gebaseerd op rechtvaardigheid, evenals ware religie is gegrond op barmhartigheid.’ De rechter heropende de zaak, en nadat het bewijsmateriaal nauwkeurig was onderzocht, ontsloeg hij de gevangene van rechtsvervolging. Van alle activiteiten van Jezus gedurende deze dagen van zijn persoonlijke dienstbetoon, benaderde dit voorval het meest een openbaar optreden.
5. RAADGEVINGEN AAN DE RIJKE MAN
132:5.1Een zekere rijke man, een Romeins burger en Stoïcijn, kreeg grote belangstelling voor het onderricht van Jezus toen hij door Angamon aan hem was voorgesteld. Na vele vertrouwelijke gesprekken vroeg deze rijke burger wat Jezus met rijkdom zou doen indien hij deze zou bezitten, en Jezus antwoordde hem: ‘Ik zou materiële rijkdom besteden aan de verheffing van het materiële leven, zoals ik kennis, wijsheid en geestelijk dienstbetoon ten goede zou laten komen aan de verrijking van het intellectuele leven, de veredeling van het sociale leven en de bevordering van het geestelijke leven. Ik zou materiële rijkdom beheren als een wijze, effectieve bewindvoerder over de hulpbronnen van de ene generatie ten behoeve van het welzijn en de veredeling van de volgende en latere generaties.’
132:5.2De rijke man was evenwel niet geheel tevreden met Jezus’ antwoord. Hij nam de vrijheid om opnieuw te vragen: ‘Maar wat zou een man in mijn positie naar uw mening moeten doen met zijn rijkdom? Moet ik deze houden of moet ik deze weggeven?’ Toen Jezus zag dat hij werkelijk meer wilde weten over de waarheid inzake zijn loyaliteit aan God en zijn verplichting jegens de mensen, gaf hij hem een uitvoeriger antwoord: ‘Goede vriend, ik merk dat ge een oprecht zoeker zijt naar wijsheid en eerlijk de waarheid liefhebt; daarom wil ik u mijn zienswijze voorleggen inzake de oplossing van uw problemen die te maken hebben met de verantwoordelijkheden van rijkdom. Ik doe dit omdat ge gevraagd hebt om mijn raad, en bij het geven van dit advies houd ik mij niet bezig met de rijkdom van andere rijke mensen; ik geef dit advies uitsluitend aan u en als een persoonlijk richtsnoer voor u. Indien ge eerlijk uw rijkdom wilt zien als iets dat u is toevertrouwd, indien ge werkelijk een wijze, efficiënte rentmeester van uw vergaarde rijkdom wilt worden, dan zou ik u aanraden de volgende analyse te maken van de bronnen van uw rijkdom. Vraag uzelf – en doe uw best om een eerlijk antwoord te vinden – waar is deze rijkdom vandaan gekomen? En om u te helpen bij het zoeken naar de bronnen van uw grote fortuin, zou ik u willen voorstellen om de tien volgende, verschillende methoden om materiële rijkdom te vergaren, in gedachten te houden:
‘ 1. geërfde rijkdom – rijkdommen verkregen van ouders en voorouders;
‘ 2. ontdekte rijkdom – rijkdommen ontleend aan de niet ontwikkelde hulpbronnen van moeder aarde;
‘ 3. rijkdom uit handel – rijkdommen verkregen als eerlijke winst bij het uitwisselen van en het handel drijven in materiële goederen;
‘ 4. oneerlijke rijkdom – rijkdommen verkregen door de oneerlijke exploitatie of het in slavernij houden van de medemens;
‘ 5. rijkdom uit interest – inkomen verkregen door het billijk en rechtmatig benutten van de mogelijkheden om met geïnvesteerd kapitaal te verdienen;
‘ 6. rijkdom door geniale gaven – rijkdommen die voortkomen uit de beloning van de creatieve en inventieve gaven van het menselijke verstand;
‘ 7. toevallig verkregen rijkdom – rijkdom ontleend aan de vrijgevigheid van uw medemensen, of die hun oorsprong hebben in uw levensomstandigheden;
‘ 8. gestolen rijkdom – verkregen door onbillijkheid, oneerlijkheid, diefstal of bedrog;
‘ 9. fondsen die ge beheert – rijkdommen die u ter hand zijn gesteld door uw medemensen voor een specifiek doel, nu of in de toekomst;
‘ 10. verdiende rijkdom – rechtstreeks afkomstig uit uw eigen persoonlijke arbeid, de billijke en rechtmatige beloning voor uw eigen dagelijkse inspanningen van verstand en lichaam.
132:5.3‘En dus, vriend, indien ge een trouwe en rechtvaardige rentmeester wilt zijn over uw grote fortuin, voor God en in dienstbaarheid aan de mensen, moet ge uw grote fortuin bij benadering in deze tien hoofdcategorieën splitsen en er vervolgens toe overgaan om ieder deel te beheren in overeenstemming met de wijze en eerlijke interpretatie van de wetten der rechtvaardigheid, onpartijdigheid, billijkheid en ware doeltreffendheid; ofschoon de God des hemels u niet zal veroordelen wanneer ge u in twijfelachtige gevallen soms zoudt vergissen door uit barmhartigheid en onzelfzuchtigheid extra consideratie te hebben voor de ellende van de lijdende slachtoffers van de onfortuinlijke omstandigheden in het leven van stervelingen. Wanneer ge eerlijk twijfelt inzake de billijkheid en juistheid van materiële situaties, beslis dan ten gunste van hen die in nood verkeren, ten gunste van hen die het ongeluk hebben te lijden onder onverdiende ontberingen.’
132:5.4Na deze zaken verscheidene uren lang te hebben besproken, gaf Jezus, in antwoord op het verzoek van de rijke man om meer gedetailleerde instructies, een nadere toelichting op zijn advies en zei, kort samengevat: ‘Ik wil u wel meer suggesties aan de hand doen om uw instelling ten opzichte van rijkdom te bepalen, maar ik zou u daarbij willen adviseren mijn raad aan te nemen als alleen aan u gegeven, en als een leidraad voor u persoonlijk. Ik spreek alleen maar namens mijzelf, en tot u als een vriend die om raad vraagt. Ik raad u ten sterkste andere mensen niet voor te schrijven hoe zij tegenover hun rijkdom moeten staan. U zou ik als volgt willen adviseren:
132:5.5‘ 1.Als rentmeester over geërfde rijkdom moet ge de bronnen ervan in overweging nemen. Ge hebt de morele verplichting om de vorige generatie te vertegenwoordigen bij de eerlijke overdracht van wettig verkregen rijkdom aan volgende generaties, na aftrek van een billijk aandeel ten behoeve van de huidige generatie. Maar ge zijt niet verplicht om ook maar enige oneerlijkheid of ongerechtigheid te laten voortbestaan, wanneer deze aan de opeenstapeling van rijkdom door uw voorouders zou kleven. Elk deel van uw geërfde rijkdom dat door bedrog of oneerlijkheid verkregen blijkt te zijn, moogt ge uitgeven overeenkomstig uw overtuigingen inzake rechtmatigheid, generositeit en restitutie. Wat daarna overblijft van uw rechtmatig geërfde rijkdom moogt ge naar billijkheid gebruiken en als bewindvoerder van de ene generatie veilig overdragen aan de volgende. Ge dient u te laten leiden door een verstandig onderscheidingsvermogen en een gezond oordeel bij uw beslissingen met betrekking tot het vermaken van uw rijkdommen aan uw nabestaanden.
132:5.6‘ 2.Ieder die rijkdom bezit tengevolge van ontdekkingen, moet bedenken dat één mens maar korte tijd op aarde kan leven, en behoort daarom geëigende en voldoende voorzieningen te treffen, zodat het grootst mogelijke aantal van zijn medemensen op nuttige wijzen in deze ontdekkingen kan delen. De ontdekker moet niet alle beloning worden ontzegd voor de inspanningen waarmee zijn ontdekking gepaard is gegaan, maar ook moet hij zich niet egoïstisch het recht aanmatigen op alle voordelen en zegeningen die kunnen voortkomen uit het aan de dag brengen van de opgetaste hulpbronnen der natuur.
132:5.7‘3.Zolang de mensen verkiezen om de zaken van de wereld te regelen door middel van handel en ruilhandel, hebben zij recht op een billijke, rechtmatige winst. Iedere handelaar verdient een beloning voor zijn diensten; de koopman heeft recht op zijn loon. Billijkheid in de handel en de eerlijke behandeling van de medemens in het georganiseerde zakenleven in de wereld, kunnen vele verschillende soorten van rijkdom uit winst doen ontstaan, en al deze bronnen van rijkdom moeten worden beoordeeld volgens de hoogste beginselen van gerechtigheid, eerlijkheid en billijkheid. De eerlijke handelaar behoeft niet te aarzelen om dezelfde winst te nemen die hij met genoegen een medehandelaar zou gunnen in een gelijksoortige transactie. Hoewel dit soort rijkdom niet identiek is met individueel verdiend inkomen wanneer er op grote schaal zaken worden gedaan, geeft zulke eerlijk vergaarde rijkdom de bezitter toch een aanzienlijk recht om te beslissen inzake de latere verdeling.
132:5.8‘4.Geen enkele sterveling die God kent en tracht zijn wil te doen, kan zich verlagen om zich bezig te houden met onderdrukking door rijkdom. Geen enkel nobel mens zal ernaar streven zich rijkdommen te vergaren en door die rijkdom meer macht te verkrijgen, wanneer dit inhoudt dat hij te dien einde zijn medebroeders op aarde moet knechten of op niet faire wijze moet uitbuiten. Rijkdom is een morele vloek en een geestelijke schandvlek indien zij gewonnen is door het zweet van verdrukte stervelingen. Al dergelijke rijkdommen behoren te worden teruggegeven aan hen die ervan zijn beroofd, of aan hun kinderen en kleinkinderen. Een duurzame beschaving kan niet worden gegrond op de praktijk om de arbeider zijn loon afhandig te maken.
132:5.9‘ 5.Eerlijk kapitaal heeft recht op interest. Zolang de mensen lenen en uitlenen mag men een billijke rente vragen, mits het uitgeleende kapitaal rechtmatige rijkdom is. Zuiver eerst uw kapitaal voordat ge aanspraak maakt op interest. Word niet zo kleinzielig en inhalig dat ge u zoudt vernederen tot woekerpraktijken. Sta uzelf nooit toe zo zelfzuchtig te worden, dat ge de macht van het geld gebruikt om voor uzelf oneerlijk voordeel te behalen op uw worstelende medemensen. Geef niet toe aan de verleiding om woekerrente te vragen van een broeder die in financiële moeilijkheden verkeert.
132:5.10‘ 6.Indien ge toevallig rijkdom verwerft door ingenieuze invallen, indien uw rijkdommen hun ontstaan danken aan de beloning voor inventieve gaven, leg dan niet beslag op een onbillijk deel van deze beloning. Het genie is zowel aan zijn voorgeslacht als aan zijn nageslacht iets verschuldigd; voor zijn inventieve ontdekkingen is hij eveneens verplicht aan zijn volk, zijn natie en de omstandigheden; hij dient ook te bedenken dat hij als mens onder de mensen heeft gearbeid en zijn uitvindingen heeft uitgewerkt. Het zou echter even onrechtvaardig zijn om het genie te beroven van al zijn vermogensaanwas. En het zal altijd onmogelijk blijven voor de mensen om regels en voorschriften te maken die gelijkelijk toepasselijk zijn voor alle problemen die zich kunnen voordoen bij het billijk verdelen van rijkdom. Ge moet de mens eerst erkennen als uw broeder en indien ge eerlijk het voornemen koestert om hem te behandelen zoals ge wilt dat hij u zou behandelen, zullen de gewone regels der rechtvaardigheid, eerlijkheid en billijkheid u wel leiden bij de juiste en onpartijdige oplossing van ieder probleem dat zich met betrekking tot economische beloning en sociale gerechtigheid steeds weer kan voordoen.
132:5.11‘ 7. Niemand moet voor zich persoonlijk aanspraak maken op de rijkdom die hem door de tijd en het toeval in handen valt, behalve op het welverdiende, gerechtvaardigde loon voor het beheer ervan. Toevallige rijkdom moet men enigszins beschouwen als een vermogen dat men onder zijn hoede heeft en dat besteed moet worden ten behoeve van het welzijn van de sociale of economische groep waartoe men behoort. Aan de bezitters van zulk een vermogen dient de zwaarste stem te worden toegekend in beslissingen inzake de wijze en doeltreffende verdeling van zulke niet-verdiende hulpbronnen. De geciviliseerde mens zal niet altijd alles waarover hij kan beschikken, blijven beschouwen als zijn persoonlijke, particuliere bezit.
132:5.12‘ 8.Indien enig deel van uw fortuin welbewust door bedrog is verkregen; indien ook maar iets van uw vermogen is vergaard door oneerlijke praktijken of onbehoorlijke methoden; indien uw rijkdom het product is van onrechtmatig zakendoen met uw medemensen, haast u dan al deze op laakbare wijze verkregen verdiensten terug te geven aan de rechtmatige eigenaren. Geef volledige compensatie en zuiver aldus uw fortuin van alle oneerlijke rijkdom.
132:5.13‘ 9.Het beheer over een vermogen dat een mens ten behoeve van het welzijn van anderen voert, is een ernstige, heilige verantwoordelijkheid. Neem geen risico’s met zulk een beheer en breng het niet in gevaar. Neem voor uzelf van een toevertrouwd vermogen alleen dat af wat ieder eerlijk mens u zou toestaan.
132:5.14‘ 10.Dat gedeelte van uw fortuin dat de verdiensten door uw eigen mentale en fysieke inspanning vormt, is – indien uw arbeid in billijkheid en rechtmatigheid is verricht – echt van uzelf. Niemand kan u het recht betwisten dit vermogen te bezitten en te gebruiken naar het u goeddukt, mits de uitoefening van dit recht uw medemensen geen kwaad berokkent.’
132:5.15Toen Jezus zijn raadgevingen aan deze vermogende Romein had beëindigd, stond deze van zijn rustbank op, nam afscheid voor de nacht, en legde daarbij de volgende belofte af: ‘Goede vriend, ik zie dat ge een man van grote wijsheid en goedheid zijt, en morgen begin ik mijn gehele vermogen overeenkomstig uw raadgevingen te beheren.’
6. SOCIAAL HULPBETOON
132:6.1Hier in Rome vond ook het roerende voorval plaats dat de Schepper van een universum verscheidene uren bezig was om een verdwaald kind terug te brengen naar zijn ongeruste moeder. Dit jongetje was weggedwaald van huis en Jezus trof hem huilend van ellende aan. Hij en Ganid waren op weg naar de bibliotheken, maar ze deden nu wat ze konden om het kind weer thuis te krijgen. Ganid vergat nooit het commentaar dat Jezus hem daarbij gaf: ‘Weet je, Ganid, de meeste mensen zijn zoals dit verdwaalde kind. Een groot deel van hun tijd zijn ze in tranen van angst en lijden ze verdriet, terwijl ze, in waarheid, maar een klein eindje af zijn van veiligheid en zekerheid, net zoals dit kind maar een klein eindje van huis was. En al degenen die de weg der waarheid kennen en de zekerheid hebben dat zij God kennen, moeten het als een voorrecht beschouwen en niet als een plicht, om hun medemensen aan te bieden hen de weg te wijzen bij hun inspanningen om voldoening in het leven te vinden. Hebben wij niet met het allerhoogst genoegen deze moeder de dienst bewezen dat wij haar haar kind terugbrachten? Zo ervaren degenen die mensen naar God leiden, ook de allerhoogste voldoening van menselijke dienstbaarheid.’ En vanaf die dag was Ganid gedurende de rest van zijn natuurlijke leven voortdurend op de uitkijk naar verdwaalde kinderen die hij terug zou kunnen brengen naar huis.
132:6.2Zo ontmoetten zij de weduwe met vijf kinderen, wier echtgenoot door een ongeval om het leven was gekomen. Jezus vertelde Ganid dat hij zijn eigen vader door een ongeval had verloren, en ze gingen herhaaldelijk naar deze moeder toe om haar en de kinderen te troosten, terwijl Ganid bij zijn vader aanklopte om geld, zodat zij voor voedsel en kleding konden zorgen. Ze staakten hun bemoeiingen pas toen ze een betrekking hadden gevonden voor de oudste jongen, zodat deze mee kon helpen om voor het gezin te zorgen.
132:6.3Toen Gonod die avond luisterde naar het verhaal van deze ervaringen, zei hij goedhartig tot Jezus: ‘Ik stel mij voor een geleerde of zakenman te maken van mijn zoon, en nu begint gij een filosoof of filantroop van hem te maken.’ Jezus antwoordde glimlachend: ‘Misschien kunnen we hem alle vier deze dingen laten worden; dan kan hij een viervoudige voldoening in zijn leven vinden omdat zijn oor voor de herkenning van de menselijke melodie dan vier tonen zal kunnen herkennen in plaats van één.’ Waarop Gonod zei: ‘Ik merk dat ge een echte filosoof zijt. Ge moet een boek schrijven voor toekomstige generaties.’ En Jezus antwoordde: ‘Niet een boek – mijn opdracht is om een leven te leven in deze generatie voor alle generaties. Ik – ’, maar hij hield op en zei tegen Ganid: ‘Zoon, het is tijd om naar bed te gaan.’
7. TOCHTEN VAN UIT ROME
132:7.1Jezus, Gonod en Ganid maakten vijf tochten vanuit Rome naar bezienswaardige plaatsen in de omliggende streken. Tijdens hun bezoek aan de Italiaanse meren in het noorden had Jezus het lange gesprek met Ganid over de onmogelijkheid om iemand te onderrichten aangaande God, indien die mens niet het verlangen koestert om God te kennen. Ze hadden toevallig een onnadenkend levende heiden ontmoet op hun reis naar de meren, en Ganid was verrast dat Jezus niet zoals gewoonlijk een gesprek met de man aanknoopte, dat op natuurlijke wijze tot een gesprek over geestelijke zaken zou hebben geleid. Toen Ganid zijn leraar vroeg waarom hij zo weinig belangstelling aan de dag legde voor deze heiden, antwoordde Jezus:
132:7.2‘Ganid, deze man hongerde niet naar waarheid. Hij was niet ontevreden met zichzelf. Hij was niet bereid hulp te vragen en de ogen van zijn bewustzijn waren niet open, zodat zij geen licht voor zijn ziel konden opvangen. Die man was niet rijp voor de oogst van het heil; hij moet meer tijd krijgen zodat hij door de beproevingen en moeilijkheden des levens kan worden voorbereid op de ontvangst van wijsheid en hoger onderricht. Anderzijds zouden wij hem, indien we hem met ons konden doen samenleven, door ons leven de Vader in de hemel kunnen laten zien, en zou hij zo worden aangetrokken door ons leven als zonen van God, dat hij zich wel gedrongen zou voelen om te informeren naar onze Vader. Je kunt God niet openbaren aan hen die niet naar hem zoeken; je kunt geen onwillige zielen binnenleiden in de vreugden van het heil. Een mens moet gaan hongeren naar waarheid ten gevolge van zijn ervaringen in het leven, of hij moet gaan verlangen God te leren kennen doordat hij in aanraking komt met de levens van hen die de goddelijke Vader wel kennen, voordat een ander mens het instrument kan worden om deze medesterveling tot de Vader in de hemel te leiden. Indien wij God kennen, is het onze werkelijke taak op aarde om zo te leven, dat het de Vader wordt toegestaan zich in ons leven te openbaren, en zo zullen alle mensen die op zoek zijn naar God, de Vader zien en ons om hulp vragen om meer te weten te komen over de God die op deze wijze uitdrukking vindt in ons leven.’
132:7.3Toen zij hoog in de bergen in Zwitserland waren, sprak Jezus een dag lang met de vader en de zoon beiden over het Boeddhisme. Al vele malen had Ganid Jezus rechtstreekse vragen gesteld over Boeddha, maar steeds had hij min of meer ontwijkende antwoorden gekregen. Nu stelde de vader, in aanwezigheid van zijn zoon, Jezus een rechtstreekse vraag over Boeddha, en hij kreeg een rechtstreeks antwoord. Gonod zei: ‘Ik zou werkelijk graag willen weten hoe ge over Boeddha denkt.’ En Jezus antwoordde:
132:7.4‘Uw Boeddha was veel beter dan uw Boeddhisme. Boeddha was een groot man, een profeet zelfs voor zijn volk, maar hij was een verweesd profeet; hiermee bedoel ik dat hij al vroeg zijn geestelijke Vader, de Vader in de hemel, uit het oog had verloren. Zijn ervaring was tragisch. Hij probeerde te leven en te onderrichten als een boodschapper van God, maar zonder God. Boeddha loodste zijn schip van verlossing rechtstreeks naar de veilige haven, rechtstreeks tot aan de ingang van de haven waar de sterveling verlossing wacht, maar daar liep het goede schip aan de grond door foutieve navigatiekaarten. En daar is het vele generaties lang tot op heden toe blijven vastzitten, onbeweeglijk en bijna hopeloos gestrand. Op dit schip zijn velen van uw volk al deze jaren blijven zitten. Ze leven binnen het bereik van de veilige wateren der rust, maar ze weigeren deze in te gaan, omdat het edele schip van de goede Boeddha het ongeluk had om net buiten de haven aan de grond te lopen. En de Boeddhistische volkeren zullen deze haven nooit binnenlopen, tenzij zij het filosofische vaartuig van hun profeet verlaten en zich meester maken van zijn edele geest. Indien uw volk trouw was gebleven aan de geest van Boeddha, zoudt ge reeds lang de haven zijn binnengelopen van geestelijke kalmte, zielerust en de verzekerdheid van verlossing.
132:7.5‘Ziet ge, Gonod, Boeddha kende God in de geest, maar ontdekte hem niet duidelijk in zijn denken; de Joden ontdekten God in het denken, maar kenden hem voor het merendeel niet in de geest. Heden ten dage draaien de Boeddhisten rond in een filosofie zonder God, terwijl mijn volk jammerlijk geknecht is door de vrees voor een God, zonder een reddende filosofie van het leven en van vrijheid. Gij hebt een filosofie zonder God; de Joden hebben een God, maar voor het merendeel geen filosofie over het leven in verband met deze kennis. Omdat Boeddha God niet als geest en als Vader zag, heeft hij met zijn onderricht niet de morele energie en geestelijke stuwkracht verschaft, die een religie moet bezitten om een volk te kunnen veranderen en een natie te kunnen verheffen.’
132:7.6Toen riep Ganid uit: ‘Leraar, laten wij samen een nieuwe religie maken, een religie die goed genoeg is voor India en groot genoeg voor Rome, en misschien kunnen we die dan aan de Joden verkopen in ruil voor Jahweh.’ En Jezus antwoordde: ‘Ganid, religies worden niet gemaakt. De religies der mensen komen in lange tijdsperioden tot wasdom, terwijl de openbaringen van God opvlammen op aarde in de levens van de mensen die God openbaren aan hun medemensen.’ Maar de betekenis van deze profetische woorden begrepen zij niet.
132:7.7Toen zij zich te ruste hadden begeven die nacht, kon Ganid niet slapen. Hij bleef lang met zijn vader praten en zei ten slotte: ‘Weet ge, vader, soms denk ik dat Joshua een profeet is.’ En zijn vader antwoordde alleen, half in slaap: ‘Mijn zoon, er zijn anderen...’
132:7.8Van deze dag af bleef Ganid gedurende de rest van zijn natuurlijke leven een eigen religie ontwikkelen. Hij werd in zijn eigen denken zeer sterk beïnvloed door de ruimdenkendheid, fairheid en verdraagzaamheid van Jezus. In al hun discussies over filosofie en religie ondervond deze jongeman nooit gevoelens van wrevel of reacties van verzet.
132:7.9Welk een tafereel aanschouwden hier de hemelse verstandelijke wezens, dit schouwspel van de jongen uit India die aan de Schepper van een universum voorstelde een nieuwe religie te maken! En ofschoon de jongeman dit niet wist, waren zij daar en op dat moment bezig een nieuwe, eeuwigdurende religie te maken: de nieuwe weg des heils, deze openbaring van God aan de mens door en in Jezus. Dat wat de jongen het liefste wilde doen, was hij onbewust daadwerkelijk reeds aan het doen. En zo was en is het immer. Dat wat de verlichte, reflectieve verbeeldingskracht die geestelijk wordt onderricht en geleid, van ganser harte en onbaatzuchtig wil doen en zijn, wordt meetbaar creatief overeenkomstig de mate waarin de sterveling zich wijdt aan het goddelijke doen van de wil van de Vader. Wanneer de mens een partnerschap met God aangaat, kunnen er grootse dingen gebeuren, en gebeuren die ook.